Programmatoelichting

VU-Kamerorkest 30 jaar – oktober 2022

Dirigent: Jasper de Waal

Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847)
Konzert-Ouverture zum Märchen von der schönen Melusine, op. 32 (1833-35)

Waternimfen zijn in sprookjes gevaarlijke wezens. Ze wonen in heilige bronnen, vijvers en rivieren. Natuurlijk zijn ze onbestaanbaar mooi, ze beloven voorspoed en houden hun belofte. Maar als je het niet verwacht grijpen ze je en sleuren je de diepte in, met behulp van golven die over de rand van de eerst nog zo rustige vijver slaan.

Mendelssohns ouverture laat deze twee kanten, de lieflijke en de woeste, heel goed horen. Maar in het verhaal van de mooie Melusine – in de folklore is zij een waternimf – mengt zich in haar woede een tragisch aspect. Melusine is gestraft met een lichaam dat op zaterdag vanaf haar middel in dat van een slang verandert – op afbeeldingen is het vaak een vissenstaart trouwens. Gelukkig vindt ze een echtgenoot, Raymond van Poitou, die belooft nooit op zaterdag in haar badkamer binnen te komen. Zij schenkt hem materiële voorspoed en prachtige kinderen. Maar zijn broer fluistert hem in dat zij hem op die zaterdagen bedriegt. Hij kan zich niet bedwingen en hij vindt haar, half mens, half slang. Als hij zijn eed heeft verbroken, verandert zij in een draak, hun geluk is voorbij.

Mendelssohn begon aan Die schöne Melusine in 1833, nadat hij een opera van een andere componist over deze legende hoorde, en vooral de ouverture bijzonder zwak vond. Zijn eigen ouverture was overigens niet als vervanging daarvan gedacht, maar als concert-ouverture.

Joost Tennekes

Richard Strauss (1864-1924)
Concert voor hoorn en orkest nr. 1 in Es, op. 11 (1882-83)
Solist: Hugo Freitas

  1. Allegro –
  2. Andante –
  3. Allegro

Op zijn veertiende schreef Richard Strauss zijn eerste composities. Echte jeugdwerkjes, opgedragen aan ‘zijn lieve papa’. Het waren een set variaties voor hoorn en een lied Ein Alphorn hör’ ich schallen. Vader Franz Strauss was namelijk een halve eeuw lang eerste solohoornist van het Beierse hoforkest in München. Franz was zeer gewaardeerd, doch een tikkeltje conservatief in zijn smaak. Van hem mocht de muziekgeschiedenis na de Weense klassieken eigenlijk wel stoppen, met uitzondering misschien van Weber en Mendelssohn.

In die context, waarin de invloeden van Wagner en de kenmerkende extreme chromatiek van de latere Strauss nog ondenkbaar lijken, ontstond het Eerste hoornconcert (of eigenlijk: Waldhoornconcert). Vader en zoon, inmiddels negentien, hebben het stuk thuis gerepeteerd, maar nooit samen uitgevoerd. Later herinnerde de componist zich nog de kritiek: te veel hoge noten.

Het is duidelijk een zeer virtuoos werk, waarin het uiterste van de hoornist en zijn instrument wordt geëist. Het concert bestaat, heel klassiek, uit drie contrasterende delen. Deze gaan echter naadloos in elkaar over en ook thematisch is het hoornconcert tot een geheel gesmeed. De typische Waldhoornmelodie met natuurtonen waarmee de hoornist begint, klinkt ook door in het langzame deel en in de snelle finale, maar steeds wordt er iets veranderd aan ritme, toonsoort, harmonie of tempo. Strauss laat de muziek zo ontwikkelen dat het concert onmogelijk nog op een echte Waldhoorn zonder ventielen te spelen is. Zet de componist hier voor zichzelf misschien al de deur op een kier, op zoek naar nieuwe instrumentale grenzen? Naar de moderne componeerstijl die zijn vader zo verafschuwde?

Frans Boendermaker

(pauze)

Igor Stravinsky (1882-1971)
Symfonie in C (1938-40)

  1. Moderato alle breve
  2. Larghetto concertante
  3. Allegretto
  4. Largo – Tempo giusto alla breve

Stravinsky beschreef op latere leeftijd de periode waarin hij de Symfonie in C schreef als de moeilijkste uit zijn leven. Hij verloor tussen eind 1937 en 1939 zijn oudste dochter, zijn eerste vrouw en zijn moeder. Stravinksy zelf werd in deze tijd vijf maanden in een Frans hospitaal opgenomen met tuberculose.

Het werk aan deze symfonie was volgens Stravinksy een welkome afleiding van het onheil dat hem trof. Desondanks klinkt zijn gemoedstoestand in de meeste delen niet direct door in de muziek.

De Symfonie in C is geschreven in de neoklassieke stijl. Waar Stravinksy in het begin van zijn carrière naam maakte met enkele baanbrekende modernistische werken, zoals het ballet Le sacre du printemps, legde hij zich vanaf de jaren 20 toe op traditioneler vormen en samenklanken. Het eerste deel Moderato alla breve houdt zich aan de vorm voor het openingsdeel die al gebruikelijk was bij Haydn en Beethoven.

Het tweede deel Larghetto concertante is een lyrische aria met een solistische rol voor de houtblazers (met name de hobo) en de eerste violen.

Stravinksy schreef het  derde en het vierde deel van de symfonie in de Verenigde Staten, waar hij als  gastdocent een jaar aan Harvard verbonden was. Aangezien ondertussen de Tweede Wereldoorlog uitbrak op het Europese continent vestigde Stravinsky zich permanent in de VS. Het derde deel, Allegretto, is geworteld in oude Franse dansvormen zoals het Menuet, en ook de invloed van Bach is duidelijk te horen. Desondanks meende Stravinksy dat sommige van de passages in dit deel nooit tot hem gekomen zouden zijn in Europa.

Iets soortgelijks zei hij over het vierde deel. Het Tempo Giusto, dat volgt op een langzame inleiding (Largo) had hij niet kunnen schrijven ‘zonder vanuit een snel rijdende auto het neon geflikker van de boulevards van Los Angeles gezien te hebben’.

Bram Kortekaas

Stravinsky en zijn dagelijkse wandeling in Hollywood (1966).