Programmatoelichting

VU-Kamerorkest 30 jaar – mei 2022

Wolgang Amadeus Mozart (1756-1792)
Ouverture tot Die Zauberflöte, KV 620 (1791)

Het is Mozarts laatste, maar ook bekendste opera: Die Zauberflöte. Het ‘Singspiel’ (opera met gesproken dialogen) gaat over prins Tamino die de prinses Pamina moet bevrijden van de boze koning Sarastro. Maar goed en kwaad keren om: ze moet juist worden bevrijd uit de macht van de boze koningin! Zowel Mozart als de librettist waren lid van de Vrijmetselaars, en erg begaan met de universele thema’s van goed en kwaad, licht en donker, zuivering door vuur en water, het getal 3 en de kracht van het zwijgen. In de ouverture verwijst bijvoorbeeld het terugkerende groepje van drie akkoorden naar het vrijmetselaarsritueel van drie kloppen op de deur van de tempel.

Gabriel Fauré (1845-1924)
Masques et Bergamasques (suite), op. 112 (1919)

  1. Ouverture
  2. Menuet
  3. Gavotte
  4. Pastorale

In september 1918 verzoekt prins Albert I van Monaco aan Fauré een choreografisch divertimento in één bedrijf te schrijven op een tekst van René Fauchois. Hij wilde muziek voor een traditioneel fête galante. De delen in Masques et Bergamasques hebben de benamingen van een danssuite, maar zijn romantischer van temperament, gebruikmakend van bijzondere harmonieën. Het oorspronkelijke divertimento telde acht dansen. In de orkestrale suite reduceert Fauré het geheel tot vier bewegingen. De muziek is breed, rijk en zeker niet eenkennig, en neemt de luisteraar mee op een reis door drie eeuwen: de functie en de ritmes uit de 17e eeuw; de romantiek van de 19e eeuw; beelden en structuren van de 20e eeuw.

Franz Schubert (1797-1828)
Symfonie nr. 9 in C, D.944 (1825-26)

  1. Andante – Allegro ma non troppo
  2. Andante con moto
  3. Scherzo: Allegro vivace
  4. Finale: Allegro vivace

Schuberts ‘Grote in C’ zou in zijn sterfjaar 1828 gaan klinken, maar pas twaalf jaar later kreeg het zijn eerste uitvoering in Leipzig onder leiding van Felix Mendelssohn. Een Weens orkest had het na een eerste blik in de partituur geweigerd te spelen: het was te lang en te moeilijk; bovendien waren veel eentonige strijkersfiguren te vermoeiend. Het is inderdaad een bijzonder werk dat de traditionele klassieke vormen binnenstebuiten keert, met vloeiende melodieën en nieuwe, dramatische klanken. Zelfs nu met veel beter toegeruste orkesten en voortreffelijk geschoolde dirigenten is een uitvoering van deze symfonie geen sinecure.

Het inleidende Andante van het eerste deel geeft direct de reikwijdte van Schuberts motieven prijs. Het deel kenmerkt zich door de ritmische patronen in de strijkers en het origineel gebruik van drie trombones. De harmonische spanning doet haast denken aan een Bruckner-symfonie.

Het langzame deel, eigenlijk het hoogtepunt, wordt neergezet door de hobo met een subtiel en aantrekkelijk thema. Strijk- en blaasorkest antwoorden prachtig op elkaar. De terugkomst van de hobo wordt aangekondigd met hemelse, verstilde noten van de hoorn.

Het Scherzo is gewichtig en militant, maar levendig. De onstuimige, lage strijkersklanken worden afgewisseld met een meer pastoraal thema. Schubert hanteert de traditionele vorm: Scherzo-Trio-Scherzo. In het Trio, in driekwartsmaat, voeren de blazers de boventoon en begeleiden de strijkers ritmisch.

In de Finale klinken opgewonden ritmes en aanstekelijke melodieën. Er zit een enorme drive en levensvreugde in. Heroïsch blaast het koper boven het hele orkest uit. Als de storm even lijkt te zijn gaan liggen, stormt de symfonie glorieus op het einde af.